Wettelijk kader van het toezicht op de naleving door assurantietussenpersonen van de Wet identificatie bij financiële dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties Versie: 1 november 2005 WET IDENTIFICATIE BIJ DIENSTVERLENING VOOR ATP’S...............................................................3 Identificatieplicht.....................................................................................................................................................3 Verbod op dienstverlening......................................................................................................................................3 Aangewezen instellingen waarvoor de identificatieplicht geldt............................................................................3 Aangewezen diensten waarvoor de identificatieplicht geldt.................................................................................3 Gevallen waarin de identificatieplicht ook van toepassing is................................................................................4 Optreden namens een andere persoon....................................................................................................................4 Wanneer gebruik kan worden gemaakt van afgeleide identificatie.....................................................................5 Wanneer identificatie achterwege kan blijven.......................................................................................................5 Registratieplicht.......................................................................................................................................................7 Bewaartermijn van gegevens..................................................................................................................................7 DE WET MELDING ONGEBRUIKELIJKE TRANSACTIES VOOR ATP’S..............................................8 De meldingsplicht.....................................................................................................................................................8 Aangewezen diensten waarvoor de meldingsplicht geldt......................................................................................8 Ongebruikelijke transactie......................................................................................................................................8 De wijze waarop de melding wordt gedaan............................................................................................................8 SAMENVATTING VERPLICHTINGEN KRACHTENS DE WID EN WMOT VOOR ATP’S....................10 Wid-verplichtingen................................................................................................................................................10 Wmot-verplichtingen.............................................................................................................................................10 HET TOEZICHT DOOR DE AFM...........................................................................................................11 WET OP DE ECONOMISCHE DELICTEN.............................................................................................12 Wet identificatie bij dienstverlening voor ATP’s In dit document wordt assurantietussenpersoon afgekort als ‘ATP’. Identificatieplicht De Wid verplicht de instelling de identiteit van de cliënt vast te stellen voordat zij aan die cliënt een dienst verleent. Verbod op dienstverlening Bij het vaststellen van de identiteit van de cliënt kan de instelling in redelijkheid twijfelen aan de juistheid van de verstrekte gegevens. Indien dit het geval is dient de instelling zich te onthouden van dienstverlening, en eerst nadere informatie in te winnen waaruit met voldoende zekerheid de identiteit van de cliënt kan worden vastgesteld. Aangewezen instellingen waarvoor de identificatieplicht geldt Onder ‘instelling’ wordt verstaan: Een tussenpersoon als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb) te weten: Ieder die, anders dan uit hoofde van een arbeidsovereenkomst, bemiddeling verleent bij het sluiten van een verzekering. De identificatieplicht van de bovengenoemde instelling strekt zich uit over de diensten die in de Wid zijn opgenomen: Aangewezen diensten waarvoor de identificatieplicht geldt Onder een dienst wordt verstaan: het door een instelling in of vanuit Nederland: verlenen van bemiddeling bij het sluiten van een levensverzekeringsovereenkomst tegen een premie boven het vastgestelde bedrag van € 1.134,45 per jaar indien het een periodieke premie betreft en € 2.268,90 indien het een eenmalige premie betreft. Gevallen waarin de identificatieplicht ook van toepassing is De identificatieplicht is naast de bij deze wet aangewezen instelling en diensten van toepassing indien: 1. de dienst betrekking heeft op een transactie die aan de hand van de ingevolge artikel 8 Wmot vastgestelde indicatoren als een ongebruikelijke transactie als bedoeld in die wet dient te worden aangemerkt; 2. het bedrag van de transactie kleiner is dan de jaarpremie van € 1.134,45 of éénmalige premie van € 2.268,90, maar de ATP weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de transactie waarop de dienst betrekking heeft deel uitmaakt van een geheel van met elkaar samenhangende transacties, waarbij verschillende instellingen zijn betrokken. 3. de cliënt wordt vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger. Optreden namens een andere persoon Van de natuurlijke persoon die namens een cliënt of namens een vertegenwoordiger van een cliënt bij een instelling verschijnt, dient de identiteit overeenkomstig de bepalingen van de Wid te worden vastgesteld voordat de dienst wordt verleend. De instelling is verplicht na te gaan of de natuurlijke persoon die voor haar verschijnt voor zichzelf optreedt dan wel voor een derde. In het laatste geval is de instelling verplicht de identiteit van de derde vast te stellen met behulp van door de natuurlijke persoon over te leggen documenten. Treedt de derde op voor een andere derde, dan is de instelling verplicht de identiteit van de andere derde op dezelfde wijze vast te stellen. De identiteit dient te worden vastgesteld met behulp van door de natuurlijke persoon over te leggen documenten die in artikel 3 zijn genoemd, tenzij sprake is van een onbekwame natuurlijke persoon ten aanzien van de betreffende rechtshandeling. In dat geval kan de instelling volstaan met de vaststelling van de identiteit van de wettelijk vertegenwoordiger. Indien de instelling weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de natuurlijke persoon die voor haar verschijnt niet voor zichzelf optreedt, dient zij redelijke maatregelen te treffen teneinde de identiteit van de cliënt voor wie hij optreedt en, ingeval van vertegenwoordiging van een cliënt door een derde van die vertegenwoordiger te achterhalen. Uitzondering De in het derde en vierde lid van artikel 5 genoemde wijzen waarop de identiteit dient te worden vastgesteld, is niet van toepassing indien de natuurlijke persoon een instelling is dan wel optreedt namens een instelling waarop een vrijstelling of ontheffing van toepassing is. De instelling dient in onderhavige gevallen de identiteit van de derde voor wie zij optreedt overeenkomstig de bepalingen van de Wid dan wel overeenkomstig de bepalingen van de wet van een door de Minister van Financiën aangewezen staat vast te hebben gesteld. Vrijstelling en ontheffing De Minister van Financiën kan vrijstelling en, op verzoek, ontheffing verlenen van de verplichting van het derde en vierde lid. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. Vrijstelling wordt verleend indien de natuurlijke persoon een in Nederland gevestigde advocaat, notaris, of kandidaat-notaris is en deze persoon de identiteit van de derde voor wie hij optreedt overeenkomstig de Wid heeft vastgesteld. De vrijstelling geldt eveneens voor de natuurlijk persoon indien deze het beroep van advocaat, notaris, of kandidaat-notaris uitoefent in een andere lidstaat van de Europese Unie en deze persoon de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wid. Wanneer gebruik kan worden gemaakt van afgeleide identificatie Indien de cliënt niet zelf verschijnt bij de ATP en de eerste premiebetaling (die niet contant mag zijn) aan de ATP plaatsvindt kan een bemiddelaar in levensverzekeringen onder voorwaarden gebruik maken van een specifieke vorm van afgeleide identificatie. De dienst dient verband te houden met het sluiten van een levensverzekering of de bemiddeling daarbij. De eerste betaling die met de dienst verband houdt moet door de cliënt worden gedaan, ten laste van een rekening van die cliënt bij een kredietinstelling met zetel in een van de lidstaten. De ATP gaat in deze gevallen na of de identiteit van de cliënt overeenkomt met de identiteit van de cliënt ten laste of ten gunste van wiens rekening de eerste betaling is gedaan. De identificatie ten aanzien van de rekening, ten laste waarvan de eerste betaling wordt gedaan die met de financiële dienst verband houdt, dient overeenkomstig de bepalingen van de Wid of de Wif te hebben plaatsgevonden. Indien de rekening wordt aangehouden bij een kredietinstelling die niet in een lidstaat is gevestigd, maar in een staat die door de Minister van Financiën is aangewezen, dient de instelling van de betreffende kredietinstelling de bevestiging te hebben verkregen dat de identiteitsvaststelling van die cliënt en de registratie daarvan op diens naam zijn uitgevoerd. Wanneer identificatie achterwege kan blijven Identificatie kan achterwege indien: de identiteit reeds bij eerdere gelegenheid is vastgesteld; de identificatie van de wettelijke plicht is uitgezonderd. De hier genoemde uitzonderingen zijn echter niet van toepassing indien de financiële dienst betrekking heeft op een transactie die als een ongebruikelijke transactie in de zin van de Wmot dient te worden aangemerkt. De uitzonderingen zijn eveneens niet van toepassing indien de instelling weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de natuurlijke persoon die voor haar verschijnt niet voor zichzelf optreedt. De identiteit is bij eerdere gelegenheid vastgesteld De instelling is bij het verlenen van een dienst niet verplicht tot het vaststellen van de identiteit van de cliënt ingeval zij gebruikt maakt van gegevens die zij bij een eerdere dienstverlening van de betreffende cliënt heeft vastgesteld, op voorwaarde dat de identificatie overeenkomstig de bepalingen van de Wid of de Wet identificatie bij financiële dienstverlening is vastgesteld. Deze uitzondering is echter niet van toepassing indien het een dienst betreft ter zake van een transactie met een tegengestelde waarde of gezamenlijke tegenwaarde welke gelijk is aan dan wel meer bedraagt dan een bedrag van € 10.000,- en deze dienst wordt verricht door een ander filiaal dan het filiaal dat de identiteit van de cliënt heeft vastgesteld. In dat geval blijft de identificatieplicht onverminderd bestaan. Vrijstelling identificatieplicht De Minister van Financiën verleent vrijstelling van de identificatieplicht als bedoeld in artikel 2, lid 1 Wid, indien als cliënt optreedt: a. een onderneming of dienst die hetzij geregistreerd is ingevolge artikel 52 Wtk 1992, artikel 21 Wte 1995 of artikel 18 Wtb, hetzij beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wtv 1993; b. een onderneming of instelling waaraan door de bevoegde autoriteiten in een andere staat een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG en 2000/12/EG. c. een onderneming of dienst die behoort tot een door de Minister van Financiën aan te wijzen categorie: een onderneming of instelling waaraan door de bevoegde autoriteiten in een andere lidstaat vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 73/239/EEG en Richtlijn 88/357/EEG, Richtlijn 79/267/EEG en Richtlijn 90/619/EEG. Registratieplicht De Wid verplicht instellingen bij het vaststellen van de identiteit een aantal gegevens vast te leggen op een zodanige wijze dat deze toegankelijk zijn: Ten aanzien van de persoon Ten aanzien van de persoon worden de volgende gegevens vastgelegd: de geslachtsnaam; de voornamen; de geboortedatum; het adres; de woonplaats dan wel plaats van vestiging. Het vastleggen van de bovengenoemde gegevens hebben betrekking op: de cliënt; degene te wiens name het depot of de rekening wordt gesteld; degene te wiens name een uitbetaling of transactie wordt verricht (de begunstigde), alsmede van hun vertegenwoordigers. Ten aanzien van het document met behulp waarvan de identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden de aard; het nummer; de uitgiftedatum; het plaats van uitgifte. Ten aanzien van de dienst Bij de identiteitsvaststelling dient tevens de aard van dienst te worden vastgelegd, en in het geval van het sluiten van een verzekeringsovereenkomst: het rekeningnummer ten laste waarvan de eerste premiebetaling wordt gedaan. Bewaartermijn van gegevens De instelling is verplicht de gegevens op een toegankelijke wijze te registreren en te bewaren. De gegevens moeten op verzoek ter inzage worden gegeven aan de daartoe bevoegde instantie, in casu de AFM. De bewaartermijn bedraagt tot vijf jaar na het beëindigen van de overeenkomst op grond waarvan de dienst is verleend. De Wet melding ongebruikelijke transacties voor ATP’s De meldingsplicht Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent is verplicht een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (Meldpunt). Een transactie is een handeling of samenstel van handelingen van of ten behoeve van een cliënt in verband met het afnemen of het verlenen van één of meer diensten. Een ongebruikelijke transactie is een transactie die aan de hand van bepaalde indicatoren als zodanig wordt aangemerkt. Aangewezen diensten waarvoor de meldingsplicht geldt De Wmot verstaat onder een dienst het door een instelling in of vanuit Nederland: sluiten van een levensverzekeringsovereenkomst tegen een premie boven het vastgestelde bedrag van € 1.134,45 per jaar indien het een periodieke premie betreft en € 2.268,90 indien het een eenmalige premie betreft, alsmede het daarbij verlenen van bemiddeling. Ongebruikelijke transactie Transacties die in verband met witwassen aan politie of justitie worden gemeld, moeten ook aan het Meldpunt worden gemeld. Een ongebruikelijke transactie is een transactie die aan de hand van bepaalde indicatoren als zodanig wordt aangemerkt. I SUBJECTIEVE INDICATOR: Melding verplicht indien de meldingsplichtige oordeelt dat de volgende situatie van toepassing is. Vermoedelijke witwastransacties of terrorismefinanciering: transacties waarbij aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme. II. OBJECTIEVE INDICATOR Melding verplicht. Transacties met aangewezen landen: transacties met (rechts)personen die zijn gevestigd in landen of gebieden, die door de Minister van Financiën en de Minister van Justitie zijn aangewezen als onaanvaardbaar risico voor witwassen of terrorismefinanciering. De wijze waarop de melding wordt gedaan Een melding bevat, voor zover mogelijk, de volgende gegevens: • de identiteit van de cliënt; • de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de cliënt; • de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie; • de omstandigheden op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt; • aanvullende, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, gegevens. Degene die een dienst verleent die onder de meldingsplicht van de Wmot valt, is verplicht de bovengenoemde gegevens op toegankelijke wijze te bewaren gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding. Het Meldpunt is bevoegd bij degene die een melding heeft gedaan, alsmede bij degene die door het verlenen van een dienst bij een transactie is betrokken waarover het Meldpunt gegevens heeft verzameld, nadere gegevens of inlichtingen te vragen. Degene aan wie deze gegevens of inlichtingen zijn gevraagd, is verplicht deze aan het Meldpunt schriftelijk, alsmede in spoedeisende gevallen mondeling, te verstrekken binnen de door het meldpunt gestelde termijn. Samenvatting verplichtingen krachtens de Wid en Wmot voor ATP’s. Wid-verplichtingen 1. De ATP moet voordat hij bemiddelt bij het sluiten van een levensverzekeringsovereenkomst de identiteit van de cliënt vaststellen in de volgende gevallen: - de periodieke premie bedraagt meer dan € 1.134,45 per jaar; - de eenmalige premie bedraagt meer dan € 2.268,90; - er sprake is van een ongebruikelijke transactie; - er sprake is van een geheel van met elkaar samenhangende transacties, waarbij verschillende instellingen zijn betrokken; - de cliënt vertegenwoordigd wordt door een vertegenwoordiger. 2. Indien de cliënt niet zelf verschijnt en de eerste premiebetaling aan de ATP plaatsvindt: nagaan of de identiteit van de cliënt overeenkomt met de identiteit van de cliënt ten laste van wiens rekening (bij een instelling in een lidstaat) de premiebetaling plaatsvindt. Indien deze rekening wordt aangehouden bij een kredietinstelling die niet in een lidstaat is gevestigd, maar in een staat die door de Minister van Financiën is aangewezen, dient de instelling van de betreffende kredietinstelling de bevestiging te hebben verkregen dat de identiteitsvaststelling van die cliënt en de registratie daarvan op diens naam zijn uitgevoerd. 3. De ATP moet bij het vaststellen van de identiteit een aantal gegevens vastleggen op een zodanige wijze dat deze toegankelijk zijn en deze gegevens bewaren. Wmot-verplichtingen 1. De ATP moet een (voorgenomen) ongebruikelijke transactie melden aan het Meldpunt. 2. De ATP moet de gegevens van de melding op toegankelijke wijze bewaren gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding. 3. De ATP moet het Meldpunt desgevraagd nadere gegevens of inlichtingen verstrekken. De AFM is aangewezen als toezichthouder op het verbod tot dienstverlening indien geen identificatie volgens de Wid heeft plaatsgevonden en op de verplichting de identiteitsgegevens te bewaren. De AFM is aangewezen als toezichthouder voor de verplichtingen 1 en 2 onder de Wmot. De instellingen die met het toezicht op financiële instellingen zijn belast lichten het Meldpunt in, indien zij bij de uitoefening van hun taak feiten ontdekken die duiden op witwassen of heling van geld, ongeacht de op deze toezichthouders van toepassing zijnde geheimhoudingbepalingen uit hoofde van andere, op hen toepasselijke wetten. Het toezicht door de AFM Met ingang van 12 september 2003 is de AFM aangewezen als toezichthouder voor de tussenpersonen. Op het toezicht dat AFM in dit kader uitvoert is afdeling 5.2 ‘Toezicht op de handhaving’ van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Hierdoor zijn onder meer de navolgende artikelen van toepassing:. Artikel 5:12 1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. 2. Een toezichthouder toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds. 3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid. Het model van het legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Justitie. Artikel 5:13 Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Artikel 5:14 Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan dat de toezichthouder als zodanig aanwijst, kunnen de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden worden beperkt. Artikel 5:15 1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. 2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm. 3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen. Artikel 5:16 Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen. Artikel 5:17 1. Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. 2. Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken. 3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs. Artikel 5:20 1. Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. 2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit. Wet op de economische delicten Ingevolge de Wet op de economische delicten (Wed) wordt onder een economisch delict verstaan de overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: - de Wet identificatie bij dienstverlening, de artikelen 2, eerste, tweede en zevende lid, 5, 6, 7 en 8; - de Wet identificatie bij financiële dienstverlening, de artikelen 2, eerste, tweede en zevende lid, 5, 6, 7 en 8; - de Wet melding ongebruikelijke transacties, de artikelen 9, 10, tweede lid en 19, alsmede voor zover aangeduid als strafbare feiten, overtreding van krachtens artikel 11 gegeven voorschriften. Bovengenoemde economische delicten worden als misdrijf aangemerkt voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover deze economische delicten niet opzettelijk zijn begaan, zijn zij overtredingen. Op een misdrijf staat een gevangenisstraf van maximaal twee jaar of een geldboete van de vierde categorie. De geldboete die voor het strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd is gelijk aan € 11.250. Op een overtreding staat een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie. De geldboete die voor het strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd is € 11.250. Indien het feit begaan is door een rechtspersoon is een geldboete van de naast hogere categorie mogelijk, derhalve € 45.000.